Solistenconcert met Aude Vandenputte

Van harte welkom op dit wervelende, spetterende, en ongetwijfeld ontroerende USO-concert (ja, in die volgorde)! Het USO presenteert u met trots een vroeg voorjaarsprogramma, met in de schijnwerpers soliste Aude Vandenputte.

Aude Vandenputte

Ondertussen meer dan twee jaar geleden kreeg het USO van de organisatie Make-A-Wish de vraag de jonge violiste Aude Vandenputte te begeleiden bij een vioolconcerto en zo haar droom waar te maken. Met veel enthousiasme gingen orkest en Aude samen aan de slag om van haar gepland concert in de Elisabethzaal in Antwerpen een succes te maken. Toen de pandemie uitbrak, zag Aude haar wens op het nippertje verdwijnen tussen alle beperkende maatregelen. Twee jaar later geeft het USO haar een podium om die gemiste kans op minstens even fenomenale wijze in te halen.

Aude Vandenputte (°2003) startte haar vioolstudies op vierjarige leeftijd bij Peter Nys. Ze leerde spelen met behulp van de Suzukimethode. Ze volgde lessen aan De Academie Buggenhout, waar ze afstudeerde in 2021. Nu zet Aude haar vioolopleiding verder aan Luca School of Arts te Leuven (Lemmensinstituut) waar ze les krijgt van Maximilian Lohse.

Een woordje van de soliste zelf:

Welkom allemaal! Ik ben superblij dat jullie hier vandaag allemaal aanwezig zijn. Dat maakt het moment voor mij nog zo veel mooier. Al van kleins af aan speel ik heel graag viool en het was dan ook mijn droom een vioolconcerto te mogen spelen. Graag wil ik het het USO en Make-A-Wish bedanken omdat deze droom met hun hulp werkelijkheid is geworden. Ik ben verheugd voor jullie te mogen spelen en ik hoop dat jullie even veel van dit moment zullen genieten als ik! Aude

L’Apprenti sorcier, Paul Dukas

In 1897 voltooide Frans romantisch componist Paul Dukas het symfonische gedicht L’Apprenti sorcier, de tovernaarsleerling. Het stuk is gebaseerd op een ballade van Johann Wolfgang von Goethe, Der Zauberlehrling, dat dan weer geïnspireerd is op een vertelling van de Oudgriekse schrijver Loukianos. Goethes gedicht vertelt het verhaal van een jonge tovenaarsleerling, die, verveeld met de saaie taak water met een emmer te verzamelen, een bezemsteel betovert om het werk voor hem te doen. Wanneer de bezem voldoende water heeft gehaald kan de leerling zijn betovering niet meer terugdraaien en staat het vertrek al snel blank. Hij probeert de bezem te stoppen maar slaagt hier niet in: hij is de juiste spreuken nog niet machtig. In wanhoop hakt hij de bezem met een bijl in stukken. Zonder veel succes – integendeel – want elk van de stukken wordt opnieuw een volledige bezem, die aan dubbel tempo water halen. De kamer overstroomt en radeloos roept hij om hulp! Net op tijd komt de grote tovenaar het vertrek binnen en maakt de betovering ongedaan. De leerling wordt terechtgewezen: enkel volleerde magiërs mogen beroep doen op zulke krachtige spreuken.

Dukas volgt dit verhaal trouw in zijn symfonisch gedicht. Nadat de strijkers een onheilspellende en magische sfeer scheppen, introduceren de houtblazers het zogenaamde betoveringsmotief, een echte toverspreuk van de volleerde magiër. De fagotten nemen het bekende motief later in een speels en snel staccato over: de onzekere, stotterende tovenaarsleerling die de bezemsteel probeert te betoveren. Het toverspreukmotief komt steeds terug en verbeeldt de betoverde bezemsteel die marcherend en onophoudelijk water aandraagt. De muziek, rijk georkestreerd en steeds chaotischer, benadrukt eerst het plezier van de jonge leerling, maar later ook zijn wanhoop wanneer het vertrek langzaamaan onder water komt te staan. Ongeveer halverwege het stuk slaan de koperblazers als het ware een noodkreet: de leerling hakt de bezem in stukken. De fagotten, nu versterkt door de contrafagot en de basklarinet, hernemen het oorspronkelijke toverspreukmotief – de bezemstelen worden terug volledig. De muziek versnelt steeds en het toverspreukmotief kolkt en klotst net zoals het water in het vertrek. Op het hoogtepunt van het stuk uit het koper een laatste noodkreet, waarna het plots rustig wordt. Het toverspreukmotief komt sputterend tot een halt: de magiër komt binnen en beëindigt de betovering. Het stuk wordt afgesloten door de eenzame altviool, die de berouwvolle tovenaarsleerling vertolkt.

L’Apprenti sorcier is Dukas’ meest opgevoerde en opgenomen werk. Bij het grote publiek is het vooral bekend van Disneys Fantasia, een animatiefilm uit 1940 waarin verschillende klassieke werken op een ludieke manier van beeld worden voorzien. In Fantasia heeft Mickey Mouse, met iconische rode mantel en blauwe punthoed, de rol van de tovenaarsleerling op zich genomen.

Vioolconcerto in mi klein, Felix Mendelssohn

Mendelssohns laatste concerto, het vioolconcerto in mi klein, is ook zijn bekendste. Het concerto is een van de belangrijkste concerti uit de romantische periode en een must voor elke violist. Mendelssohn schreef het concerto voor Ferdinand David, een jeugdvriend en de concertmeester van Mendelsshons orkest in Leipzig. Hij schreef aan zijn vriend in 1838: “Ik wil ook voor jou een vioolconcerto schrijven komende winter. Ik heb al eentje in mijn hoofd in e-mineur, waarvan het begin mij niet met rust laat.” Nochtans ging het componeren niet van een leien dakje, want pas zes jaar na het eerste overleg met David kon Mendelssohn het stuk voltooien. Na de première in 1845 in Leipzig was het werk onmiddellijk een groot succes en het bleef van toen tot vandaag een van de hoogtepunten van het vioolrepertoire.

Het werk is klassiek van structuur, met drie delen die afwisselend snel-traag-snel zijn. Toch introduceerde Mendelssohn enkele invloedrijke vernieuwingen. In tegenstelling tot classicistische concerti, waarbij het orkest eerst een lange introductie van het thema speelt, valt de solist hier bijna onmiddellijk na het orkest in en introduceert zelf het lyrische thema. Een andere vernieuwing is het doorgecomponeerde karakter van het stuk. De drie delen sluiten naadloos op elkaar aan, zowel melodisch als harmonisch, en worden attacca – zonder tussenpauzes – gespeeld.

Het eerste deel, Allegro molto appassionato, wordt geopend door de solo-viool die het hoofdthema introduceert. Na een opeenvolging van snelle bravourepassages wordt de muziek rustiger en leiden de houtblazers een nieuw thema in. De twee motieven worden daarna gecombineerd, opbouwend naar het hoogtepunt van het eerste deel: de indrukwekkende cadenza van de solist. Het orkest valt hierna weer in en vergezelt de solist bij de twee hoofdthema’s. De muziek versnelt gestaag tot een kundig presto om het eerste deel af te sluiten. In het tweede deel, een gematigd en lyrisch Andante, laat de solist een andere kant van zichzelf zien. Hier is het niet het snelle vingerwerk, maar de muzikaliteit die centraal staat. Het deel, in een drievoudige A-B-A-structuur, gelijkt in vorm en sfeer op Mendelssohns Lieder ohne Worte, wat het zangerige karakter van de melodieuze lijnen bevestigt. Na een rustig slot leidt een korte overgangspassage naar de spetterende finale. Dit speelse derde deel, Allegro molto vivace, wordt geopend door de trompetten die onmiddellijk de juiste sfeer scheppen. De solist kan zich hier ten volle uitleven met licht en gezwind vingerwerk in een schertsend thema, bijgestaan door het orkest. De muziek bouwt op naar een hoogtepunt en het concerto eindigt met een weergaloze en vingervlugge coda.

Het USO bedankt LUCA School of Arts – Campus Lemmens, de Dienst Cultuur van de KU Leuven en de sponsors zonder wie dit solistenconcert niet mogelijk was geweest, De Broodenier en Ad Temptare.

Teksten: Liesbeth Geussens, Aude Vandenputte & Josefien Branson