Johannes Brahms: 4e Symfonie

Search Our Site

Universitair Symfonisch Orkest van de KU Leuven
Register
Hoewel Johannes Brahms bekend staat als een ernstige, tamelijk strenge en eerder behoudsgezinde componist, is er weinig romantische orkestmuziek die zo passioneel klinkt als zijn composities. Dat verklaart wellicht de voorliefde die het USO heeft voor Brahms: na zijn Ein Deutsches Requiem (2013) en zijn Tweede Symfonie (2014) waagt het orkest zich dit jaar aan zijn vierde en laatste symfonie.

Voor een componist wiens reputatie grotendeels berust op zijn symfonische werken, schreef Johannes Brahms (1833-1897) er merkwaardig weinig. Zijn vier symfonieën, samen goed voor amper drie uur muziek, behoren niettemin tot de meest gewaardeerde werken uit de hele negentiende eeuw. De uitzonderlijke vaardigheid waarmee Brahms met zijn muzikaal materiaal aan de slag gaat en zijn onuitputtelijke creativiteit bieden een verklaring voor het respect waarmee de Hamburgse componist en zijn muzikale scheppingen steeds worden benaderd. Als noodzakelijke derde kostwinnaar van een arm gezin speelde Brahms aanvankelijk piano in bars en nachtclubs, tot zijn muzikaal talent in 1853 door Robert Schumann werd opgemerkt. Hun vriendschap beïnvloedde Brahms’ composities in grote mate, tot Schumanns mentale aftakeling Brahms er uiteindelijk toe dwong om zich te bezinnen over (en te kiezen tussen) het regelmatige leven van ‘die guten Leute’ en het emotioneel geplaagde bestaan van ‘ein echter Musiker’. Het uitgebalanceerde evenwicht dat Brahms vond tussen intellectualiteit en emotionaliteit weerspiegelt zich in de typisch gedisciplineerde dramatiek van zijn muziek. Klassieke vormpatronen, spaarzaam muzikaal materiaal en een algemeen gevoel voor beheersing geven Brahms’ muziek meteen een vrij ernstig karakter.

Zoals de traditie het voorschreef, bestaat Brahms’ Vierde symfonie uit vier delen. De eerste twee bewegingen van het werk schreef hij in 1884, amper een jaar na de voltooiing van zijn derde symfonie. Nog een jaar later stond het werk op de pupiter in Meiningen, waar de componist zelf de première dirigeerde. Het warme openingsdeel van de symfonie is een toonbeeld van Duitse orkestrale romantiek. De passionele en uiterst expressieve hoofdmelodie levert nagenoeg het volledige materiaal aan voor het eerste deel. De geplukte snaren in het tweede deel, waarboven vooral de blazers de melodielijnen ontwikkelen, heeft iets plechtigs, mede dankzij de statige driekwartsmaat. Het derde deel contrasteert hier dan weer fel mee. Dit allegro barst los in een feestelijke en ongedwongen sfeer en laat dit gevoel niet meer los. In de finale werpt Brahms dan weer een blik naar het verleden: het slotdeel is een typisch barokke passacaglia, of een reeks variaties op een hoofdthema. De componist werkt dit gegeven meesterlijk veelzijdig uit. Kenmerkend voor deze symfonie, naast deze onberispelijke creativiteit, is Brahms’ voorkeur voor asymmetrische proporties in ritme en metrum. Op die manier geeft hij zijn muziek een energieke retoriek mee die hem, elk vermeend traditionalisme ten spijt, tot een van de meest invloedrijke componisten maakte van de hele negentiende eeuw.
logo